Regels & Normen
Fysieke mogelijkheden die nodig zijn voor
het motorrijden. Voortvloeiend uit wettelijke voorschriften waar we mee
te maken hebben kan daar in grote lijnen het volgende van gezegd worden:
• De bestuurder moet met beide armen
een nagenoeg gelijke kracht kunnen uitoefenen op het motorstuur. Dit moet
zowel versnellend (trekkend aan het motorstuur) als vertragend (duwend
op het motorstuur) mogelijk zijn. Op een motorstuur, dat eigenlijk simpel
gesteld uit twee hefbomen bestaat, moet om rechtuit te kunnen rijden o.a.
geen ongelijke druk uitgeoefend worden. Momenteel zijn er middels orthesen
en prothesen in veel voorkomende gevallen goede oplossingen mogelijk.
• Een arm/hand probleem van niet al te geringe omvang zal er wel
makkelijk toe kunnen leiden, dat iemand ongeschikt is voor het rijden
met een motor met zijspan. Voor het rijden met een motor met zijspan is
nu eenmaal meer kracht in de armen nodig dan voor het rijden op een solomotor.
 |
• Wat de benen betreft moet de bestuurder
in staat zijn om de motor naar beide zijden op te vangen. Bestuurders
die een functiestoornis hebben aan één of beide benen kunnen
hiermee problemen verwachten. Indien een goede opvang niet mogelijk is,
blijft altijd nog de mogelijkheid over om te gaan rijden op een motor
met zijspan. Een andere manier van motorrijden, maar zeker niet minder
enerverend.
• Bediening van de voetrem en de versnelling is in principe op verschillende
manieren aan te passen. Problemen met de bediening van deze onderdelen
leveren zelden een ongeschiktheid op.
• Bestuurders die een onderbeen missen en een goed functionerende
prothese dragen zijn meestal in staat om de motor goed op te vangen. Met
een onderbeensprothese kan een goed gerevalideerde gebruiker de voet van
de prothese op nagenoeg elk punt plaatsen waar dat nodig is. Men heeft
het kniegewricht nog, dus ook de mogelijkheid om de prothese in een bepaalde
richting te sturen.
• Bestuurders die een amputatie ondergingen die in- of boven de
knie ligt, krijgen geen toestemming om op een solomotor te gaan rijden.
De risico’s die verbonden zijn aan het rijden op een solomotor met
bovenbeensprothese(n) worden te groot geacht.
• Van een motorrijder mag verlangd worden dat hij, wanneer hij normaal
op de motor zit, met beide voeten nagenoeg plat, dus in ieder geval met
de volle voorvoet, op de grond moet kunnen komen. Als hij/zij daartoe
niet in staat is, is die motor niet geschikt. Een beperking met vermelding
van de maximale zithoogte gemeten vanaf de grond is in die gevallen op
zijn plaats.
Nu kan er natuurlijk vanuit gegaan worden, dat het de eigen vrije wil
is van de bestuurder om bepaalde risico’s te nemen. Het CBR is echter
van mening dat dit niet opgaat. Er is ook een duidelijk algemeen belang
in het geding. Er zijn immers andere weggebruikers om ons heen die niet
de dupe mogen worden van het nemen van onverantwoorde risico’s.
Uitgangspunt bij de beoordeling door het CBR is, dat motorrijders met
een bepaalde functiebeperking, al dan niet met aanpassingen aan de motor
(met zijspan), al dan niet met behulp van kunst- of hulpmiddelen (orthesen
of prothesen), dezelfde mogelijkheden moeten hebben als iedere andere
motorrijder.
|